Kent u het boek Jonge Honden? Dat is een boek waarin Geert Zagers tien interessante mensen interviewt die iets te zeggen hebben over media. De toekomst, de nieuwe generatie journalisten, zeg maar. “Tien mensen die mee de toekomst van de journalistiek zullen bepalen” staat er op de binnenflap. Mensen van wie je nog zal horen. Of moest je ze al kennen, nog van zal blijven horen. Bij sommige mensen, zoals Brecht Decaestecker, misschien niet met volle goesting, maar we dwalen af. Soit.
“Jonge honden” werd uitgegeven naar aanleiding van het tienjarige bestaan van het Fonds Pascal Decroos voor onderzoeksjournalistiek. Als seal of approval kan dat wel tellen.
Ik zet me neer om te lezen. Pen en papier naast me. Klaar om me te laten inspireren en gretig notities te nemen.
Zeer inzichtelijke bijdragen van Ike Picone en Pieter Baert. Bart Becks en Olaf Koens stralen passie uit. Maar ik hoop uit de grond van mijn hart dat dit niet de toekomst is. Een half A5’je heb ik volgekregen met nota’s, een vierde als je de achterkant meerekent, toen ik het boek 192 pagina’s verder dichtsloeg. Zoveel nieuwe inzichten staan er in de interviewreeks van Geert Zagers.
‘t Zijn geen slechte mensen, hoor. De tien jonge honden zijn goed mee met hun tijd. Ze volgen de evoluties in de media op de voet. Maar zeg nu zelf: een mens kan toch niet anders dan zich een beetje te verkneukelen bij de voortdurend weerkerende admiratie van Geert Zagers voor journalisten die Facebook en twitter ’begrijpen’. Bonuspunten als je Flickr kent. Op de schaal der innovatie, die begint bij ‘saaien dees’ en eindigt bij ‘genie’, bevinden die eenvoudige vaardigheden zich zo ergens ter hoogte van ‘net niet hersendood’. Toch? ’t Is alsof men een alternatief universum binnenstapt waar de hyperlink nog maar net is uitgevonden.
De toekomst volgens Bart Van Belle
Dat moest er even uit. Maar eerder dan gratuit mensen te kakken te zetten, zou ik er graag één bijdrage wat uitlichten, namelijk die van Bart Van Belle, webredacteur bij De Standaard Online. Niets tegen die mens, hij leest Wired (zij het louter in feedvorm, waardoor hij de helft van het plezier mist) dus Bart moet wel meevallen. Maar hij zegt een paar dingen waar ik toch op wil reageren.
Je kent mij niet, maar ik ben de technicus van dienst bij De Werktitel, een groepsblog waar je misschien (hopelijk!) wel al van gehoord hebt, en ik werk daar mee aan een nieuw publicatieplatform dat we nog voor de lente op jullie willen loslaten. Dat wat de context betreft.
Ik voel even de nood om mijn soort te verdedigen.
Van Belle zegt: “als we straks met informatici over een nieuwe site moeten praten, weten we wat we willen op het vlak van integratie van filmpjes, Google Maps, API’s, infografieken, polls en zo meer.”
Er is vanalles mis met die opmerking.
Ten eerste: Bart presenteert een enig lijstje aan technologieën, maar helaas technologieën die allemaal met elkaar gemeen hebben dat ze zelfs in 2005 amper nog innovatief waren. Sinds wanneer ben je innovatief door gewoon nog maar te spreken over Google Maps of een interface (“nen API”, zoals we zeggen in de vaktaal) waarmee programmeurs aan je artikels en andere data kunnen?
Ten tweede. Een gemakkelijke manier om buzzwords te onderscheiden van betekenisvolle verwijzingen naar technologieën werkt als volgt. Stel de vraag: zegt deze persoon hoe hij deze technologie wil aanwenden om een concreet doel te verwezenlijken? Zo nee, buzzword. Zo ja, goed bezig. Welnu, Bart vermeldt bijvoorbeeld lukraak API’s, zonder enige context. Hij spreekt niet over, ik zeg maar iets, de hoop dat De Standaard op die manier de knutselaars onder de lezers kan overtuigen om informatie van standaard.be op een nieuwe, onverwachte manier weer te geven; of omgekeerd, om met informatie van elders op het web standaard.be te verrijken. Nog steeds abstract, maar moest er zoiets staan… wel, ik ben snel tevreden.
Hetzelfde met Google Maps: kaarten bestaan al sinds mensheugnis, zeg liever wat je ermee zou kunnen doen, en laat dat zich alsjeblieft niet beperken tot het aanduiden van een locatie die aan bod komt in een artikel. En over polls wil ik niet eens beginnen.
Enfin, ik plaag maar wat, uiteindelijk gaat het mij niet om Bart Van Belle, gelijk welke online-journalist had die opmerking kunnen maken. Belangrijker voor mij is een dieperliggende attitude die blijkt uit een uitspraak als “als we straks met informatici over een nieuwe site moeten praten, weten we wat we willen”.
Weg met de dienst informatica
Eigenlijk kan je het Van Belle niet verwijten dat hij gewoon maar een oplijsting maakt van een aantal technologieën die leuke potentiële toepassingen hebben op nieuwswebsites. (Je kan het anderzijds Geert Zagers of het fonds wel kwalijk nemen dat ze wél iemand uit de advertisingwereld aan bod laten, maar geen enkele techie.) Van Belle is zelf geen programmeur, dus veel meer dan de waaier aan technologische mogelijkheden overschouwen en daar een selectie uit maken, kan hij niet. Dat is zijn job ook niet.
Het lastige is dat bij veel kranten niemand met technische aanleg de opdracht krijgt om dieper na te denken over de toekomst van de media. Waar zijn de wired journalists, waar is onze Vlaamse Adrian Holovaty of Matt Waite?
De informatici van dienst implementeren wat het management hen vraagt, en het management vraagt niet naar de technologieën van morgen maar naar wat ze elders al gezien hebben en wat daar lijkt te werken. Soms bespreken ze die dingen met de interne IT-dienst, zodat er nog enige discussie en tweerichtingsverkeer mogelijk is, maar voor grotere opdrachten gaat men aankloppen bij externe partners, die de gegeven opdracht braaf uitwerken naar specificatie en niet lastig doen, als hun facturen maar betaald worden.
Kranten en weekbladen hebben die strategie lang kunnen volhouden. IT is een zware kost, dus daar spring je zuinig mee om, je kiest enkel voor betrouwbare en bewezen oplossingen, en zo nodig besteed je het uit. Zo beperk je je risico. Je hebt weinig vaste medewerkers nodig. Fair enough.
Maar het beeld van technologie als een kost wordt in veel industrieën stilaan onhoudbaar. Dat geldt niet in het minste voor mediabedrijven. Technologie wordt meer en meer hetgeen je onderscheidt van de concurrentie. Technologie is een competitief voordeel, niet een kost die je nu eenmaal moet maken maar waar je je verder best niet te veel van aantrekt.
Je core business, dat hou je intern, dat besteed je niet uit. Dus wordt het, pace Steve Yelvington, tijd om de informaticadienst uit te breiden en meer en meer aspecten van het productieproces zelf in handen te nemen. Tijd om de ontwikkelaars nauw te betrekken bij hetgeen ze moeten ontwikkelen.
De volgende stap: schaf die informaticadienst af. Laat me toe dat even uit te leggen. Journalisten babbelen al lang over de perfide scheiding tussen online- en printredacties. Met recht en rede, ik kan me geen enkele reden indenken waarom een journalist niet mediumonafhankelijk zou werken. Maar men negeert de nog veel grotere muur tussen de informatici en de redactie.
IT wordt in veel bedrijven nog steeds gestructureerd als een aparte dienst die werkt voor ‘interne klanten’. Dat betekent dat de softwareontwikkelaars maar slaafs te volgen hebben wat een redactie van would-be internet-experten hen vraagt. IT is een zwarte doos: requirement sheets naar binnen, eindproduct naar buiten, als je me even een overdrijving toelaat. Informatici krijgen in veel bedrijven, en dat geldt niet minder voor de media, geen enkele mogelijkheid om te innoveren op wat nochtans onmiskenbaar hun turf is. Zo gaat veel talent verloren.
Kijk om je heen. Mark Zuckerberg, het brein achter Facebook, is een programmeur. Larry Page en Sergey Brin, die samen Google opstartten, zijn briljante computerwetenschappers die samen studeerden in Stanford. Jack Dorsey van twitter: een software-architect. De mensen die blogs gepopulariseerd hebben en toegankelijk hebben gemaakt voor een groot publiek, van Brad Fitzpatrick (bekend van LiveJournal, één van de eerste blogplatformen) tot Matt Mullenweg, schrijven zelf code. Ward Cunningham, de uitvinder van wiki-software, yep, een programmeur.
Power to the nerds
Zie je het patroon? Informatici stonden aan het stuur van alle grote successen op het internet. En dan hoor je Bart Van Belle trots zeggen dat hij en zijn collega’s voor de opvolger van De Standaard Online piekfijn zullen kunnen uitleggen aan de IT’ers wat voor een webplatform ze nodig hebben om de toekomst van de journalistiek vorm te geven. Op die manier kan De Standaard niet anders dan achter de feiten aanhollen. En ’t zal hen niet eens kwaad doen want de andere grote kranten in ons taalgebied zijn in hetzelfde bedje ziek. Maar dan moet De Standaard ook niet zwanzen dat hun website een hoogtechnologisch mirakel is.
Denk je echt dat informatici zich enkel willen bezighouden met het schrijven van code, hele dagen lang, en dat ze niet op de hoogte zijn van alles wat gaande is in de digitale wereld? Het prachtige aan een job als informaticus is net dat je altijd in aanraking komt met een domein dat niet het jouwe is. Je lost problemen op voor biologen, voor ingenieurs, voor zakenlui en, jawel, voor journalisten.
Een goed informaticus wéét hoe hij zich moet inwerken in een probleemdomein, en door de juiste vragen te stellen een goed idee te krijgen over hoe een bepaalde droom of idee kan omgezet worden in werkelijkheid. Een goed informaticus weet ook echte problemen te onderscheiden van pet projects en pet peeves van een manager. Maar informatici die vastzitten in logge bedrijfsstructuren krijgen amper de kans om die kennis aan te wenden.
Hoeveel informatici zouden er aanwezig zijn op de gemiddelde redactievergadering bij De Morgen of De Standaard? Hoeveel informatici denk je te vinden onder het kaderpersoneel? Geef informatici de ruimte om na te denken over de toekomst van de journalistiek, en dan zal je vonken zien. Wil je innoveren op het internet? Geef inspraak aan nerds.

6 comments
In die zin is het wel interessant om te kijken naar het werk van Chris Thorpe (en zijn ploeg) bij The Guardian. Ze doen veel vooruitstrevende dingen, oa rond het visualiseren van databasegegevens. Op www.guardian.co.uk/data-store zijn verschillende mooie voorbeelden te bewonderen. Wie Thorpe ooit hoorde spreken, weet wel dat hij zijn activiteiten legitimeert door er op te wijzen dat The Guardian (deels) afstand neemt van de markt en soms dingen mag/kan doen die niet rendabel zijn. Een standpunt dat niet opgaat voor de meeste mediagroepen/nieuwssites.
Alleszins, als iemand die al even meedraait in online media kan ik me goed vinden in wat Stijn schrijft. Wellicht zijn mediagroepen te weinig bezig met technologie, tenzij zeer instrumenteel en ad hoc ("we willen nu dit doen, hoe doen we het, bij voorkeur in een paar weken en voor weinig geld?") of als marketinginstrument ("we willen social media integratie, als traffic driver!"). Als er een strategische visie is, dan speelt technologie daar inderdaad doorgaans een tweederangsrol in.
Die puur instrumentele kijk op technologie is op lange termijn bovendien zeer nadelig; ik kan zo een aantal voorbeelden in de media opnoemen waarbij een gebrekkig technisch inzicht en een onvermogen om een goede specificatie te schrijven leiden tot IT-projecten die compleet falen. Tegelijkertijd moet ik wel zeggen dat de waarheid ergens in het midden zit: je moet redactie en ontwikkelaars op gelijke voet zetten, en toch ook zien dat de developers alle projecten uitontwikkelen en zich niet puur concentreren op technologische showcases. Om maar iets te zeggen: een Google Maps-mashup kan oubollig overkomen, maar niettemin heel effectief zijn.
Ha Stijn, Als ik dat zo lees, dan is er vandaag maar weinig verschil tussen de manier waarop het management omgaat met informatici en de manier van omgaan met journalisten.
"De informatici van dienst implementeren wat het management hen vraagt, en het management vraagt niet naar de technologieën van morgen maar naar wat ze elders al gezien hebben en wat daar lijkt te werken"
Vervang hierboven gewoon informatici door journalisten en technologieën door inhoud, en je snapt wat ik bedoel.
@Jamie: The Guardian is inderdaad een goed voorbeeld dat het ook anders kan. Ditto voor de New York Times. Je hebt gelijk als je zegt dat developers soms makkelijk onder de indruk zijn van nieuwe technologieën en daarbij the bigger picture uit het oog verliezen. Ik denk dat het net daarom belangrijk is dat redactie en informatici voortdurend met elkaar praten en samenwerken. Zo kunnen beide partijen op den duur beter aanvoelen wat de technische en journalistieke mogelijkheden zijn en wat er écht nuttig en zinnig is.
@tom: interessante parallel, zo had ik er nog niet over nagedacht. 't Is jammer om te horen dat managers vaak meer kwaad dan goed doen, want ik ben an sich wel overtuigd van het belang van een goed management.
Vreemd genoeg heb ik bij De Morgen wél enkele keren de eer gekregen om bij een redactievergadering te zitten. Maar dan eerder om tijdig aanpassingen te kunnen doorvoeren in het redactiesysteem ifv de behoeften van het ogenblik. Toen ik met het idee afkwam om op regelmatige basis zoveel mogelijk 'randcontent' zoals de opnames van 'Uitgelezen' of interviews met Jan Temmerman als podcast online te plaatsen (echte nieuwe inhoud, geen radio-regurgitatie) was de discussie reeds snel 'Wat brengt dat op?' Dat het niet zozeer ging om het aanbieden van nieuwe content, dan wel het vertrouwd maken van de redacteurs met de technologieën op het web, én het potentieel voor elke reporter om zijn eigen publiek te maken en te dirigeren naar hun website, dat ging er niet in.
Anderzijds is enige zin voor realiteit nooit slecht. Als je als journalist verplicht bent om aan ijltempo artikels tijdig klaar te krijgen, dan staat je hoofd er niet meteen naar om er nog extra werk bij te nemen.
In mijn ogen zal dit nooit lukken vanuit de huidige krantenstructuur. Van de grond op herbouwen met mensen die reeds de juiste instelling hebben, zonder het 'krantenmodel' te moeten meesleuren lijkt me een veel betere oplossing. En oh, kijk, is dat niet wat De Werktitel doet? Fascinerend.
"En oh, kijk, is dat niet wat De Werktitel doet? Fascinerend." We doen ons best :-) Merci voor je reactie, het is altijd boeiend om te lezen hoe het er elders op de werkvloer aan toegaat.
Er werden mij vragen gesteld. Ik heb er antwoord op gegeven. Zoals bij iedere journalist, bakent de vraag het antwoord een stukje af.
Ik ben geen journalist en mijn focus ligt niet op journalistiek. Ik focus op hoe je digitale kanalen kan inschakelen om uw boodschap over te brengen. En daar waar digitale mogelijkheden deel gaan uitmaken van uw product of dienst.
Misschien is de titel wat ongelukkig gekozen. Misschien moet de doelgroep iets duidelijker afgebakend worden. Niemand kan in de toekomst kijken. Ik kijk naar wat ik vandaag zie en probeer in te schatten waartoe dat kan leiden.